Macro's: eiwitten, koolhydraten en vetten uitgelegd
|
|
Tijd om te lezen 26 min
Winkelwagen
Je winkelwagen is leeg
|
|
Tijd om te lezen 26 min
Macro's zijn de drie voedingsstoffen die je lichaam energie geven: eiwitten, koolhydraten en vetten.
In de voedingswereld heten ze officieel macronutriënten, en samen vormen ze de basis van alles wat je op je bord legt.
Misschien hoor je de term steeds vaker. Een collega die haar lunch afweegt, een vriend die zijn eiwitten bijhoudt in een app.
Maar wat heb je er zelf aan om te weten hoe je eten is opgebouwd?
Meer dan je misschien denkt. Als je snapt wat eiwitten, koolhydraten en vetten doen, kijk je anders naar een maaltijd.
Je ziet sneller waar je keuzes liggen, zonder dat je meteen alles hoeft te tellen.
In dit artikel lees je wat elke macro voor je doet, hoeveel je er ongeveer van nodig hebt en hoe je je eigen macro's stap voor stap berekent.
Ook als je gewoon wat bewuster wilt eten, zonder strak schema.
Macro's zijn eiwitten, koolhydraten en vetten: de drie voedingsstoffen die het lichaam energie leveren.
De Gezondheidsraad hanteert een aanbevolen hoeveelheid voor eiwit en een bandbreedte voor vet, maar geen vast percentage voor koolhydraten.
Bij het berekenen van macro's weegt de totale energie-inname zwaarder dan de verhouding tussen koolhydraten en vet.
Macro's zijn de voedingsstoffen die je in grote hoeveelheden nodig hebt en die je lichaam energie leveren: eiwitten, koolhydraten en vetten.
Het woord komt van het Griekse makros, dat groot betekent.
Macronutriënten heb je dan ook in relatief grote hoeveelheden nodig: dagelijks gaat het om tientallen tot soms honderden grammen.
Goed om te weten: als ik in dit artikel over calorieën praat, bedoel ik eigenlijk kilocalorieën, afgekort kcal.
Daartegenover staan de micronutriënten: vitaminen en mineralen. Die heb je in veel kleinere hoeveelheden nodig, meestal in milligrammen of zelfs microgrammen.
Klein betekent trouwens niet minder belangrijk. Vitaminen en mineralen zijn betrokken bij allerlei processen in je lichaam, maar leveren zelf geen energie.
Dat is een belangrijk verschil met de macro’s. Koolhydraten, vetten en eiwitten leveren wél energie.
Een sinaasappel bevat bijvoorbeeld veel vitamine C, maar de calorieën komen niet uit die vitamine. Die zijn vooral afkomstig van de koolhydraten.
Kortom: macro’s heb je in relatief grote hoeveelheden nodig en ze leveren energie. Micronutriënten heb je in veel kleinere hoeveelheden nodig en leveren zelf geen energie.
Eiwitten zijn belangrijke bouwstoffen voor je lichaam. Je vindt ze onder andere in je spieren, huid en haar.
Ook veel enzymen en bepaalde hormonen zijn opgebouwd uit eiwitten.
Daarnaast levert elke gram eiwit 4 kcal energie (1).
Eiwitten bestaan uit kleinere bouwstenen: aminozuren. Een deel daarvan kan je lichaam zelf maken, maar negen aminozuren niet.
Die noemen we essentiële aminozuren en moet je dus via je voeding binnenkrijgen.
Je lichaam heeft geen aparte voorraad waarin het eiwit opslaat voor later, zoals dat bij vet wel gebeurt.
Tegelijkertijd worden eiwitten in je lichaam voortdurend afgebroken en opnieuw opgebouwd. Omdat daarbij ook aminozuren verloren gaan, heb je dagelijks eiwit uit je voeding nodig.
Je lichaam gebruikt eiwitten voor verschillende belangrijke functies:
Eiwit zit in zowel dierlijke als plantaardige voedingsmiddelen.
Goede bronnen zijn bijvoorbeeld:
Tip: wil je makkelijker wat extra eiwit binnenkrijgen tussen je maaltijden door? Lees dan ook 10 eiwitrijke tussendoortjes.
Misschien herken je het: na een bak kwark of een omelet zit je vaak langer vol dan na een witte boterham met jam.
Onderzoek laat zien dat eiwit inderdaad invloed kan hebben op je verzadigingsgevoel.
Onderzoekers hebben de resultaten van meerdere goed opgezette studies samengevoegd en bekeken.
Daaruit bleek dat deelnemers in de uren na een eiwitrijke maaltijd gemiddeld minder honger hadden en zich voller voelden (3).
Ook werden veranderingen gezien in hormonen die betrokken zijn bij het regelen van je eetlust.
In studies die langer duurden, waren de resultaten minder duidelijk (3).
Eiwit heeft daarnaast nog een bijzondere eigenschap: je lichaam gebruikt relatief veel energie om het te verteren en te verwerken.
Naar schatting gaat zo'n 20 tot 30 procent van de energie uit eiwit op aan deze verwerking.
Ter vergelijking: bij koolhydraten ligt dat rond de 5 tot 10 procent en bij vet rond de 0 tot 3 procent (4).
Dat verschil klinkt misschien groot, maar in de praktijk is het effect op je totale energieverbruik beperkt. Het is dus geen reden om extreem veel eiwit te eten.
Koolhydraten zijn een belangrijke energiebron voor je lichaam. Elke gram levert 4 kcal (1).
Je vindt ze onder andere in brood, pasta, rijst, aardappelen, peulvruchten, fruit en melkproducten, maar ook in producten waar suiker in zit.
Tijdens de vertering breekt je lichaam verteerbare koolhydraten af tot kleinere suikers, waaronder glucose.
Die glucose komt in je bloed terecht en kan door je lichaam als brandstof worden gebruikt.
Wat je niet direct nodig hebt, kan je lichaam opslaan als glycogeen in je lever en spieren.
In het artikel over gezonde koolhydraatrijke voeding lees je welke producten een goede basis vormen.
Koolhydraten worden vaak ingedeeld op basis van hoe ze zijn opgebouwd.
Grofweg zijn er twee groepen:
Vaak hoor je dat enkelvoudige koolhydraten 'snel' zijn en meervoudige koolhydraten 'langzaam'. Zo simpel is het niet.
Neem wit brood. Dat bestaat vooral uit zetmeel, een meervoudig koolhydraat, maar je lichaam verteert het toch vrij snel.
Hoe je bloedsuiker na een maaltijd reageert, hangt dus van meer af dan alleen de opbouw van de koolhydraten.
Waarom vooral toegevoegde suiker zoveel aandacht krijgt, lees je in het artikel over de gevaren van suiker.
Niet alle koolhydraten worden op dezelfde manier verteerd. Vezels zijn daar een goed voorbeeld van.
Je lichaam kan ze in de dunne darm niet of nauwelijks afbreken. Daardoor komen ze grotendeels in je dikke darm terecht, waar darmbacteriën een deel ervan afbreken.
Gemiddeld leveren vezels zo'n 2 kcal per gram (5).
Voor het tellen van je macro's is dat handig om te weten.
Vezels hoeven niet op het etiket te staan, maar worden ze vermeld, dan staan ze apart van de koolhydraten (1). Tel ze dus niet nog eens bij je koolhydraten op.
Hoeveel vezels heb je nodig? Dat hangt af van hoeveel energie je eet: hoe meer je eet, hoe meer vezels je nodig hebt.
Eet je zo'n 2.000 kcal per dag? Dan gaat het om ongeveer 25 tot 29 gram vezels (5).
Goed om te weten: de Gezondheidsraad drukt dit advies uit in megajoule, een andere eenheid voor energie. Het advies is 3,0 tot 3,5 gram vezels per megajoule, ofwel zo'n 12,6 tot 14,6 gram per 1.000 kcal.
De glycemische respons beschrijft hoe je bloedsuiker reageert nadat je iets met koolhydraten hebt gegeten.
Om voedingsmiddelen op dit punt met elkaar te vergelijken, wordt vaak de glycemische index, afgekort GI, gebruikt.
Een voedingsmiddel met een hoge GI zorgt gemiddeld voor een snellere en sterkere stijging van je bloedsuiker dan een voedingsmiddel met een lage GI (6).
Die reactie hangt niet alleen af van het soort koolhydraten.
Ook de hoeveelheid vezels, de bereiding, hoe rijp fruit is en wat je er verder bij eet kunnen invloed hebben op hoe je bloedsuiker reageert (6, 7).
Goed om te weten: de GI houdt geen rekening met hoeveel koolhydraten je daadwerkelijk eet. Daarom bestaat er ook de glycemische last. Die kijkt niet alleen naar de GI, maar ook naar de hoeveelheid koolhydraten in een portie (6). Kijk dus vooral naar je maaltijd als geheel en staar je niet blind op één getal.
Ja. Vet is een belangrijk onderdeel van je voeding. Het levert 9 kcal per gram, ruim twee keer zoveel als eiwitten en koolhydraten (1).
Een eetlepel olie van zo'n 10 gram levert bijvoorbeeld ongeveer 90 kcal.
Maar vet doet meer dan energie leveren. Je lichaam gebruikt vetzuren onder andere als bouwstof voor cellen.
Energie die je niet direct gebruikt, kan je lichaam bovendien opslaan in vetweefsel.
Daarnaast leveren vetrijke producten onder andere de vitamines A, D en E (8).
Vet in je eten bestaat bijna altijd uit een mix van verschillende vetzuren.
Hoe die mix eruitziet, verschilt per voedingsmiddel.
Grofweg onderscheiden we drie soorten:
Wat betekent dat voor je dagelijkse keuzes?
De Gezondheidsraad adviseert om boter, harde margarine en bak- en braadvetten te vervangen door zachte margarine, vloeibaar bak- en braadvet en plantaardige oliën (9).
Van transvet krijg je bij voorkeur zo weinig mogelijk binnen (8).
Omega-3 en omega-6 zijn groepen onverzadigde vetzuren.
Twee vetzuren kan je lichaam niet zelf maken:
Daarom noemen we ze essentiële vetzuren: je moet ze via je voeding binnenkrijgen (8).
Naast ALA zijn er nog twee bekende omega-3-vetzuren: EPA en DHA.
Je lichaam kan ALA wel omzetten in EPA en DHA, maar dat lukt maar beperkt, en naar DHA nog minder (10).
EPA en DHA haal je dus vooral rechtstreeks uit je eten.
De belangrijkste bron is vette vis, zoals zalm, makreel en haring.
De Gezondheidsraad adviseert om één keer per week vis te eten, bij voorkeur vette vis (9).
Voor wie geen vis eet, zijn algen een plantaardige bron van DHA.
Meer plantaardige opties zet ik op een rij in het artikel over plantaardige omega 3 bronnen.
Alcohol telt wel mee in je calorieën, maar het is geen macronutriënt.
Het levert 7 kcal per gram (1), alleen heeft je lichaam het niet nodig zoals eiwitten, koolhydraten en vetten.
Een standaardglas bevat ongeveer 10 gram alcohol en levert daarmee zo'n 70 kcal uit de alcohol zelf.
Houd je je calorie-inname bij? Tel die calorieën dan ook mee in je totaal.
Goed om te weten: volgens de Gezondheidsraad is er geen veilige ondergrens voor alcohol. Elk glas brengt gezondheidsrisico’s met zich mee. Alcohol past volgens de raad dan ook niet in een gezonde leefstijl (11).
Hoeveel macro's je per dag nodig hebt, verschilt per persoon.
Onder andere je leeftijd, lichaamsgewicht en hoeveel je beweegt spelen daarbij een rol.
Voor eiwitten, vetten en koolhydraten bestaan daarom geen hoeveelheden die voor iedereen precies hetzelfde zijn.
De Gezondheidsraad gebruikt voedingsnormen als richtlijn.
Macronutriënt |
Richtwaarde voor gezonde volwassenen |
Voorbeeld bij 70 kilo en 2.000 kcal |
Eiwit |
0,83 gram per kilo lichaamsgewicht per dag (12) |
Zo'n 58 gram per dag |
Vet |
20 tot 40 procent van je dagelijkse energie (13) |
400 tot 800 kcal, ofwel 44 tot 89 gram |
Koolhydraten |
Geen vast percentage; kies vooral volkoren producten, groente, fruit, peulvruchten en zuivel (13) |
De rest van je energie, afhankelijk van wat je aan eiwit en vet eet |
Je lichaam heeft eiwitten, vetten en koolhydraten nodig, maar dat betekent niet dat iedereen precies dezelfde verhouding hoeft te eten.
Binnen een gezond voedingspatroon is er ruimte om de verdeling aan te passen aan je energiebehoefte en voedingspatroon (13).
Daarbij gaat het niet alleen om hoeveel je van iedere macro eet, maar ook om waar je die voedingsstoffen uit haalt.
De Gezondheidsraad adviseert bijvoorbeeld om verzadigd vet, transvet en vrije suikers zo laag mogelijk te houden binnen een volwaardig voedingspatroon (13).
Met vrije suikers worden onder andere toegevoegde suikers bedoeld, maar ook de suikers in honing, siropen en vruchtensappen.
De suikers die van nature aanwezig zijn in intact fruit en groente en de lactose in melk vallen hier niet onder.
Goed om te weten: voedingsnormen zijn richtwaarden en geen persoonlijk voedingsschema. Je individuele behoefte kan anders zijn, bijvoorbeeld als je zwanger bent of intensief sport. Wil je precies weten welke verdeling bij jouw situatie past? Dan kan een diëtist je helpen om dat persoonlijk te berekenen.
Je macro's berekenen begint met een schatting van hoeveel energie je dagelijks verbruikt.
Daarna kun je die energie verdelen over eiwitten, vetten en koolhydraten. Dat doe je in vier stappen.
Je rustmetabolisme is de hoeveelheid energie die je lichaam in rust gebruikt om te blijven functioneren, bijvoorbeeld voor je ademhaling, hartslag en lichaamstemperatuur.
Een veelgebruikte formule om je rustmetabolisme te schatten is de Mifflin-St Jeor-formule (14):
De uitkomst is een schatting van je rustmetabolisme in kcal per dag.
Goed om te weten: onderzoek laat zien dat Mifflin-St Jeor voor veel volwassenen een bruikbare formule is, maar de uitkomst kan op individueel niveau behoorlijk afwijken van je werkelijke energieverbruik (15). Zie het getal dus als een startpunt, niet als een exacte meting.
Naast je rustmetabolisme verbruik je energie door te lopen, te werken, te sporten en alles wat je verder op een dag doet.
Om daar rekening mee te houden, vermenigvuldig je je rustmetabolisme met een activiteitsfactor, ook wel PAL genoemd: Physical Activity Level, oftewel je lichamelijke activiteitsniveau.
De FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) en de WHO (Wereldgezondheidsorganisatie) gebruiken hiervoor drie brede categorieën (16):
Leefstijl |
Activiteitsfactor |
Zittend of licht actief - weinig lichamelijk actief tijdens werk en vrije tijd |
1,40 tot 1,69 |
Actief - regelmatig bewegen en een overwegend actieve leefstijl |
1,70 tot 1,99 |
|
Zeer actief - veel lichamelijke activiteit, bijvoorbeeld door zwaar lichamelijk werk of veel sport
|
2,00 tot 2,40 |
Vermenigvuldig je rustmetabolisme met de gekozen activiteitsfactor. Zo krijg je een schatting van je totale dagelijkse energieverbruik.
Goed om te weten: de grenzen zijn geen exacte persoonlijke scores. Zie ze vooral als hulpmiddel om je gemiddelde activiteit over een langere periode in te schatten.
Wil je ongeveer op hetzelfde gewicht blijven? Dan kun je je geschatte totale energieverbruik als startpunt nemen.
Wil je afvallen, dan is een energie-inname onder je energieverbruik nodig.
Wil je aankomen, bijvoorbeeld met als doel spiermassa op te bouwen, dan kun je juist boven je energieverbruik gaan zitten. Hoe groot je dat verschil maakt, lees je hieronder bij de macroverdeling per doel.
Als je weet hoeveel energie je ongeveer wilt eten, kun je bepalen hoeveel daarvan uit eiwitten, vetten en koolhydraten komt.
Om calorieën om te rekenen naar grammen, gebruik je de energiewaarde per gram (1):
Stel: je bent een vrouw van 35 jaar, je weegt 68 kilo en bent 1,70 meter lang. Je hebt een kantoorbaan, sport drie keer per week en wilt ongeveer op gewicht blijven.
Eerst bereken je je rustmetabolisme:
(10 × 68) + (6,25 × 170) - (5 × 35) - 161 = ongeveer 1.407 kcal per dag
Stel dat een activiteitsfactor van 1,6 goed bij je gemiddelde activiteit past. Dan wordt je geschatte totale energieverbruik:
1.407 × 1,6 = ongeveer 2.250 kcal per dag
Vervolgens kun je die energie over je macro's verdelen. Hieronder staat één mogelijk rekenvoorbeeld:
Macro |
Gram per dag |
Kcal |
Aandeel van je energie |
Eiwit |
68 g |
272 |
12% |
Vet |
75 g |
675 |
30% |
Koolhydraten |
326 g |
1.303 |
58% |
Totaal |
|
2.250 |
100% |
Goed om te weten: dit is een rekenvoorbeeld, geen ideale verdeling voor iedereen. Zie je berekende calorieën en macro's als startpunt en kijk over meerdere weken of ze passen bij jouw doel.
Welke macroverdeling bij je past, hangt vooral af van je doel: afvallen, op gewicht blijven of spiermassa opbouwen.
Toch is de verdeling niet het belangrijkste deel van de som.
Je totale energie-inname is belangrijker dan de precieze verhouding tussen koolhydraten en vet.
Dat blijkt ook uit onderzoek.
In studies waarin deelnemers precies kregen wat ze moesten eten, met evenveel calorieën en eiwitten, verloren ze iets meer vet als ze minder vet en meer koolhydraten aten.
Het verschil was wel klein: hun energieverbruik lag gemiddeld zo'n 26 kcal per dag hoger, minder dan één beschuit (17).
Voor eiwit ligt dat anders. Hoeveel eiwit je eet, telt wel mee, zeker als je wilt afvallen of spieren wilt opbouwen. Daar kom ik verderop op terug.
De tabel hieronder helpt je om je macro’s te verdelen op basis van je doel. Zie de verdeling vooral als een handig startpunt.
Doel |
Energie |
Eiwit |
Vet |
Koolhydraten |
Afvallen |
Iets onder je verbruik |
0,83 g per kilo; fanatieke sporters hebben vaak meer nodig (12, 18) |
20 tot 40% van je energie (13) |
De rest van je energie |
Op gewicht blijven |
Rond je verbruik |
0,83 g per kilo (12) |
20 tot 40% van je energie (13) |
De rest van je energie |
Spieropbouw |
Iets boven je verbruik |
Vaak 1,6 tot 2,0 g per kilo, samen met krachttraining (18, 19, 20) |
20 tot 40% van je energie (13) |
De rest van je energie |
Als je wilt afvallen, moet je minder calorieën binnenkrijgen dan je lichaam verbruikt.
Daarna kijk je hoe je die calorieën verdeelt over eiwitten, vetten en koolhydraten.
Bij afvallen gaat het niet alleen om gewichtsverlies, maar ook om wat je verliest. Voldoende eiwit is daarom belangrijk, zeker als je sport.
Voor gezonde volwassenen is de aanbevolen hoeveelheid 0,83 gram eiwit per kilo lichaamsgewicht per dag.
Fanatieke sporters hebben vaak meer nodig, afhankelijk van het type en de intensiteit van de sport (12, 18).
Sport je en heb je al relatief weinig lichaamsvet? Dan kan het helpen om wat langzamer af te vallen.
Zo kun je je spiermassa beter behouden (18). Een kleiner calorietekort is vaak ook makkelijker vol te houden.
Goed om te weten: zorg er tijdens het afvallen ook voor dat je voldoende vetten binnenkrijgt. Kies daarbij vooral voor producten met onverzadigde vetten, zoals noten, avocado, olijfolie en vette vis (9).
Merk je dat je snel weer trek krijgt? In het artikel over honger na het eten lees je hoe dat kan.
Wil je spiermassa opbouwen? Dan combineer je krachttraining met voldoende eiwit en energie.
Een bescheiden energieoverschot kan daarbij helpen. Je training geeft je spieren de prikkel om te groeien en met de juiste voeding ondersteun je dit proces.
Uit een analyse van 49 studies met krachttraining bleek dat de toename in vetvrije massa afvlakte rond 1,6 gram eiwit per kilo lichaamsgewicht per dag (19).
Een latere analyse vond bij volwassenen onder de 65 jaar boven die hoeveelheid nog een kleine extra toename (20).
Een vaste bovengrens is er dus niet, maar boven 1,6 gram per kilo zijn de verschillen klein.
Ook met extra calorieën geldt: meer is niet altijd beter. Een groot overschot kan zorgen voor meer vetmassa (18).
Meer over trainen en eten voor sterkere spieren lees je in het artikel over spiermassa opbouwen.
Goed om te weten: deze verdelingen zijn een startpunt voor gezonde volwassenen. Wat bij je past, hangt onder andere af van je lichaamsgewicht, activiteit en sport. Voor een persoonlijk plan kun je terecht bij een diëtist.
Je macro's houd je bij door een tijdje op te schrijven wat je eet en drinkt.
De voedingswaarden vind je op het etiket, in de NEVO-tabel of in een voedingsapp.
Wil je precies weten wat je eet? Dan is een keukenweegschaal handig. Zo weet je hoeveel gram pasta, rijst of yoghurt je daadwerkelijk eet.
Na een tijdje krijg je vaak vanzelf meer gevoel voor je porties.
Kijk bij verpakte producten naar het etiket. Daarop staan de voedingswaarden per 100 gram en soms ook per portie.
Let wel op, want zo'n aangegeven portie hoeft niet hetzelfde te zijn als de hoeveelheid die jij eet.
Reken daarom met de waarden per 100 gram en de hoeveelheid die je zelf eet.
Voor producten zonder etiket, zoals groente en fruit, kun je NEVO-online gebruiken.
Dit is het officiële Nederlandse voedingsstoffenbestand van het RIVM en een betrouwbare bron voor voedingswaarden.
De tabel bevat gegevens van ruim 2.300 voedingsmiddelen, gebaseerd op onder andere analyses en gegevens van producenten (21).
Goed om te weten: de waarden in de NEVO-tabel zijn gemiddelden. De ene appel kan dus iets afwijken van de andere. Bij verpakte producten kun je daarom het beste uitgaan van de voedingswaarden op het etiket.
Een paar kleine dingen kunnen je berekening al minder nauwkeurig maken:
In het begin kost het bijhouden van je voeding wat extra tijd. Gelukkig wordt het al snel makkelijker. Dit zijn mijn persoonlijke tips:
Eet je koolhydraatarm? Dan haal je minder energie uit koolhydraten en meestal meer uit vet en eiwit.
Er zijn twee gangbare vormen:
Om een idee te geven: bij een ketogeen dieet komt vaak zo'n 75 procent van je energie uit vet (25).
Dat is ruim boven de 20 tot 40 procent die de Gezondheidsraad aanhoudt (13).
Kies je voor een van deze eetpatronen, houd dan rekening met deze punten:
Macro's bijhouden kan handig zijn, maar probeer je niet alleen op de getallen te richten. Dit zijn een paar veelvoorkomende valkuilen:
Om te onthouden: macro's tellen is vooral een hulpmiddel om inzicht te krijgen in wat je eet. Een gevarieerd en volwaardig voedingspatroon blijft de basis.
Macro's zijn de drie voedingsstoffen die je lichaam energie leveren: eiwitten, koolhydraten en vetten. Je hebt ze in grote hoeveelheden nodig, in grammen per dag.
Er is geen verschil: macro's is de korte, informele naam voor macronutriënten. Beide woorden gaan over eiwitten, koolhydraten en vetten.
Eiwitten en koolhydraten leveren 4 kcal per gram, vetten 9 kcal per gram (1). Vet levert dus ruim twee keer zoveel energie per gram als de andere twee.
Je berekent je macro's in vier stappen. Je schat je rustmetabolisme met een formule, vermenigvuldigt dat met een activiteitsfactor, stemt de uitkomst af op je doel en verdeelt die energie over eiwitten, vetten en koolhydraten (14, 16). Eerder in dit artikel vind je een volledig rekenvoorbeeld.
Om af te vallen is vooral belangrijk dat je minder calorieën binnenkrijgt dan je verbruikt. De precieze verhouding tussen koolhydraten en vetten is minder belangrijk (17). Zorg wel dat je voldoende eiwitten en vetten binnenkrijgt (12). Voor vet geldt als algemene richtlijn 20 tot 40 procent van je totale energie-inname (13).
Voor spieropbouw reken je met iets meer energie dan je verbruikt, samen met krachttraining. Voor eiwit wordt vaak 1,6 tot 2,0 gram per kilo lichaamsgewicht per dag aangehouden (18, 19, 20). Vet blijft tussen de 20 en 40 procent van je energie, de rest vul je aan met koolhydraten (13).
De aanbevolen hoeveelheid voor gezonde volwassenen is 0,83 gram eiwit per kilo lichaamsgewicht per dag (12). Bij 70 kilo is dat zo'n 58 gram. Wie veel en intensief sport, heeft vaak meer nodig (18).
Nee, koolhydraten zijn niet slecht. Het gaat vooral om welke je kiest. De Gezondheidsraad adviseert volkoren producten, groente, fruit, peulvruchten en zuivel, en raadt aan om vrije suikers zo laag mogelijk te houden (13).
De Gezondheidsraad adviseert om 20 tot 40 procent van je energie uit vet te halen (13). Bij 2.000 kcal per dag komt dat neer op ongeveer 44 tot 89 gram vet. Kies daarbij vooral voor onverzadigde vetten (9).
Nee, dat hoeft niet. Wat je over een langere periode eet, telt zwaarder dan één dag. Kleine schommelingen van dag tot dag zijn normaal.
Voedingsvezels vallen onder de koolhydraten, maar worden meestal niet als aparte macro geteld. Je lichaam kan ze in de dunne darm niet of nauwelijks afbreken, en ze leveren gemiddeld zo'n 2 kcal per gram (5). Worden ze op het etiket vermeld? Dan staan ze los van de koolhydraten (1).
Nee. Alcohol wordt niet tot de macronutriënten gerekend, maar levert wel 7 kcal per gram. Daarom telt het wel mee in je calorieën (1).
Macro's leveren energie en heb je in grammen nodig. Micronutriënten, zoals vitamines en mineralen, leveren geen energie en heb je in veel kleinere hoeveelheden nodig, in milligrammen of microgrammen.
Nee, met gewone voeding kun je je macro's prima halen. Volgens de Gezondheidsraad is een supplement voor de meeste mensen niet nodig, behalve voor groepen waarvoor een specifiek suppletieadvies geldt (9).
Macro's kunnen je helpen om beter te begrijpen wat je eet en om je voeding af te stemmen op je doel. Maar probeer je niet blind te staren op de perfecte verdeling.
Voldoende eiwitten en vetten, een passende hoeveelheid calorieën en vooral gevarieerd eten vormen een goede basis.
Zie het berekenen en bijhouden van je macro's daarom vooral als een hulpmiddel. Je hoeft niet iedere dag exact dezelfde getallen te halen.
Uiteindelijk gaat het om een voedingspatroon dat bij je doel past én dat je op de lange termijn prettig kunt volhouden.
Sport je veel? Bekijk dan ook onze collectie sport. Daarnaast vind je in onze collectie multivitaminen ons assortiment multivitaminen.
Disclaimer: supplementen zijn een aanvulling op een gevarieerd voedingspatroon, geen vervanging.
Gebruikte bronnen